Prehistorie & oude tijden

1. Pre-historie
Sporen van een menselijke aanwezigheid in de gebieden van de huidege Nederlanden gaan honderdduizenden jaren terug – de eerste stenen werktuigen, gebruikt door mensen in de periode van 180.000 tot 200.000 vbj., werden gevonden op en in de buurt van de Veluwe (een deel van Gelderland). Tijdens het Paleolithicum werd Nederland bewoond door een groot aantal groepen Neanderthalers. Een van de bewijzen is een stuk schedel van een jonge Neanderthaler in 2001 gevonden, in de provincie Zeeland, aan de kust van de Noordzee. De Nederlanders noemen hem Krijn. Nog steeds stammen zo’n 4% van hun genen van „hem”.

Het is het oudste „menselijke” fossiel ter wereld dat uit zee komt. De leeftijd van de schedel is geschat op 40.000 tot 100.000 jaar. Deze waardevolle vondst bevestigt de aanwezigheid van Neanderthalers in Nederland, zoals al eerder verwacht vanwege de vele overblijfselen van hun botten en stenen werktuigen. Men moet weten dat tijdens de ijstijd het zeeniveau veel lager was dan nu. Door het droogvallen van een groot deel van de Noordzee ontstond een vlakte, de zogenaamde „mammoetsteppe”, die toen doorsneden werd door de grote rivieren, dus kon de Neanderthaler en later de moderne mens (Homo sapiens) er leven, vissen en jagen op bizons, rendieren en mammoeten.

De volgende fase van bewoning van het huidige Nederland houdt verband met de instroom van mensen uit het Zwarte Zeegebied, die bekend staat als de Jamnacultuur van de Neolitische periode (3.4002.700 vbj.).

dom neolityczny Borger

Reconstructie van een neolithisch huis; Hunebedcentrum in Borger

Na de ijstijd steeg, door smeltwater van de gletsjers en de poolkappen, de wereldwijde zeespiegel. Hierdoor stroomde het zoute water uit de Atlantische Oceaan, via de Middellandse Zee de Zwarte Zee in. Dat leidde tot een bodemdegradatie, dat resultaat dwong lokale bevolking om naar nieuwe leefgebieden te zoeken. Sommigen van hen vestigden zich na lange zwerftochten in wat nu Nederland heet.

Materiële overblijfselen van deze cultuur zijn niet alleen de typische kleipotten, maar ook de graven (dolmens), die bestaan uit verticaal in de aarde ingegraven wandstenen met grote platte dekstenen.

De grootste concentratie van deze megalithische structuren, die in het Nederlands „hunebed” genoemd worden, is te vinden in de provincie Drenthe.

dolmeny_bij_Rolde

Hunebedden (Dolmen) in Rolde

2. Germaanse invasies
Ca. 1.000 vbj. arriveerde een groot deel van de Germaanse stammen die zich in het huidige Nederland vestigden, terwijl er ook wat Kelten in het zuiden (Brabant) kwamen. De belangrijkste reden voor deze invasie was een overbevolking in hun thuislanden, zodat grote groepen Germaanse volkeren gedwongen werden een nieuwe omgeving te zoeken. De term „Germaanse” betreft verschillende stammen. In het begin woonden er in Nederland de Batavieren, Canninifates, Chamaven, Friezen, Menapiërs en Tubantes, etc. (Om de complexiteit te duiden: de Menapiërs waren geen Germanen maar Kelten) De Caninefates waren een mengvolk van Friezen en Bataven dat in latere jaren Frisavones, genoemd werd. Weer later heetten ze de Rijnlanders die tenslotte  de Hollanders werden). Deze stammen waren allen onafhankelijk, maar ze spraken één Germaanse taal en deelden dezelfde cultuur. Vandaar dat zij samen (West-)Germanen heten.

Germania_70_svg

Germanen, ca. het jaar 70

Nederland zag er toen wel heel anders uit dan nu. Het grootste deel was moeras. De Germaanse dorpen waren niet veel meer dan een paar boerderijen. De inwoners cultiveerden het land en leefden van de producten ervan. Omdat de agrarische omstandigheden (water en bodem) overal wat verschilden, leefde elke stam op een iets andere manier. Gemeenschappelijk was, naast hun taal en hun cultuur, de structuur van hun samenleving. Elke stam vormde een eigen samenleving bestaande uit verschillende gezinnen. De hoofden van die families waren de „heersers”. De top van de sociale hiërarchie waren de vrijen, die kunnen worden vergeleken met edelen. De lagere rang werd gevormd door de half-vrijen. Dat waren de ondergeschikten, maar ze waren tamelijk vrij. De aller laagsten in aanzien waren de „dienaren”, de voormalige krijgsgevangenen, die natuurlijk niets in te brengen hadden.

Onder de Germaanse stammen, die zich vestigden in het gebied van het hedendaagse Nederland, waren het de Bataven die een belangrijke rol in de geschiedenis van dit land speelden. Het waren hun acties die de geboorte van de Nederlandse natie hebben ingeluid in het jaar 69 (dus lang nadat ze in het huidige Nederland kwamen wonen). Dit uiterst ondernemend volk kwam uit de Chatti stam, die in Hessen (dus nu Duitsland), woonde. In begin van de 4de eeuw vbj, (gedwongen door interne stam conflicten bij de Chatten) waren de Bataven op zoek naar een nieuwe woonplaats. Waarschijnlijk in de jaren 150 tot 12 vbj vestigden ze zich aan de monding van de Rijn, in het bijzonder op het zogenaamde Bataafse Eiland tussen de rivieren de (Oude) Rijn en de Waal / Maas. Bataafse sporen zijn tot op vandaag bewaard gebleven in de naam van één van hun streken: de „Betuwe”, gelegen tussen de rivieren de Waal en de Lek.

Noviomagus II wiek

Noviomagus, 2de eeuw

Hun hoofdstad werd Noviomagus (= Nijmegen) genoemd. De omvang van de bevolking was waarschijnlijk zo’n 40.000 mensen. De Bataven stonden bekend als avonturiers. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, konden ze zo goed zwemmen, dat ze zonder verliezen aan paarden en wapens de rivier de Rijn in gesloten formaties konden overzwemmen. Om deze reden werden zij waardevolle bondgenoten voor Romeinen, die even later de Nederlandse geschiedenis binnen marcheerden.

Opmerking:
Volgens een lieflijke legende ging een Bataafse krijger de zee bekijken, die hem net zo veel boeide als een lief Fries meisje dat hij op het strand ontmoette en „trouwde”. De oude goden keurden het verhaal goed, dus maakten ze de Hollanders tot een gelukkig volk en „tekenden” hen. Daarom worden hun kinderen lichtblond (Fries) geboren,  maar volwassen geworden zijn ze donkerblond (Bataafs).

Frisians

De “alde” Friezen

Een andere belangrijke stam waren de Friezen. De (germaanse) Friezen vestigden zich in de 2de eeuw vbj in wat nu Nederland is. Ze bewoonden de lange kustlijn van het Zwin, toen een baai op de huidige grens van Nederland (prov. Zeeland) en België (prov. Vlaanderen) tot in het zuiden van Denemarken (Jutland). Historische bronnen zeggen niet veel over hen. Het vroegste jaartal is 296 nbj. Wel is bekend dat ze in het jaar 29 in opstand kwamen tegen de Romeinen vanwege de hun opgelegde heffingen (de huiden die ze als belasting eisten waren groter dan de wat kleinere Friese koeien hadden. De Romeinen hebben deze opstand nooit gewroken!). In de 3de eeuw verslechterden de levensomstandigheden van de Friezen. Dat werd veroorzaakt door een stijgende zee-spiegel, dus overstromingen van hun land. Dit leidde tot een drastische afname van de bevolking door vertrek en opname in andere stammen (de meeste Friezen verlieten hun land naar Engeland of vermengden zich met Bataven en Caninefates). In de 5de eeuw verdwenen de „alde Friezen” voor goed uit de bladzijden van de geschiedenisboeken met achterlating van slechts de naam van hun regio. Het verlaten land werd, weer later, in bezit genomen door Saksen (uit Drenthe), waarvan de huidige bewoners van de „Friese landen” merendeels afstammen

Interessant is dat men de oude taal kon reconstrueren. Op basis van oude geschriften, en wat resten die in dialecten overleefden, heeft de Friese schrijver en dichter Gysbert Japicx (1603-1666) het (nieuw) Fries (1650 – 1950) gereconstrueerd. Er is dus oud Fries en nieuw Fries, maar geen middel Fries (1150-1650)! Het huidige Fries (na 1950) heet modern Fries en wordt bepaald door de Fryske Akademy. De hoofdstad van de oude staat Friesland was Utrecht. Vandaag is Leeuwarden de hoofdstad van de Nederlandse provincie Friesland.

3 De Romeinse tijd (57 vbj. – 420 nbj.)

3.1  Overheersing door het Romeinse Imperium
Rond de 1ste eeuw voor vbj. kwamen de Romeinen in het huidige Nederland, echter niet zonder groot verzet van de Germaanse stammen. In het jaar 51 vbj. nam Julius Cæsar een deel van het gebied op in Romeinen_kaarthet Romeinse Rijk. De invallers staken, na enkele mislukte pogingen, echter niet de oude Rijn over naar het noorden, maar ze bleven ten zuiden ervan en bouwden hun versterkingen langs haar oevers. Een aantal steden en ontginningen ontstonden langs deze lijn. Veel oude steden in het huidige Nederland zijn afkomstig uit die Romeinse tijd, zoals Utrecht (Ultra Trajectum), Nijmegen (Ulpia Noviomagus) of Leiden (Lugdunum Batavorum). In de tijd van Octavianus Augustus (30 vbj. – 14 nbj.) werd het veroverde gebied ingedeeld bij twee Romeinse „provincies”: (Gallië nu België) en een Neder-Germanië (nu Nederland). Het gebied ten noorden van de Rijn, werd bewoond door de Friezen, de Chauci, etc. en bleef lang buiten de Romeinse overheersing, maar niet zonder „keizerlijke” druk. Romeinen probeerden meerdere keren om het te veroveren maar waren niet succesvol, dus gaven ze het op. De ongeveer 450 jaren van Romeinse overheersing die volgden hebben de zuidelijke Nederlanden sterk veranderd. Kaartje
: De oude Romeinse grens (de limes).

Toen de Romeinen ervoeren dat de Germaanse stammen te taai waren om te verslaan, hebben ze sommige stammen tot bondgenoten gemaakt. Dit werkte zo goed dat veel Germaanse krijgers de Romeinen keizers gediend hebben. Dit betreft in het bijzonder de Bataven, die zelfs ook dienden als keizerlijke garde. Als Romeinse bondgenoten genoten, ze gedurende lange tijd, een speciale behandeling. Bijvoorbeeld: ze betaalden geen belasting en velen van hen verwierven het Romeinse burgerschap. Dit trotse volk vergat echter nooit wie ze werkelijk waren. Na het verlaten van de Romeinse legioenen gingen ze terug naar „huis”, ze werden opnieuw Bataaf en spraken of schreven geen Latijn meer.

3.2  De Bataafse Opstand (69/70)
De verhoudingen tussen germaanse stammen en de Romeinen waren echter niet zonder conflicten, zoals blijkt uit de anti-Romeinse Friese opstand in 29 (zie Flevoland), gesteund door Bataven. Voor deze laatsten kwam een meer ernstig conflict met de Romeinen pas in 69. De spanning was al gegroeid als gevolg van het beperken van de onafhankelijkheid van de Bataven. De vonk die leidde tot het uitbreken van opstand, is ontstaan door een conflict tussen twee keizers – Vespasianus en Vitellius. Deze laatste schoof, om soldaten te recruteren, de afspraken met de Bataven (met inbegrip het niet „illegaal” werven van jonge mannen voor leger) ter zijde. Hij liet niet alleen soldaten meenemen, maar ook vrouwen en jongens om de decadente Romeinen in Rome te behagen. Een Bataafse man zou, door dat te accepteren, zijn eer verliezen. In het Bataafse recht en de traditie waren vrouwen verschillend, maar gelijkwaardig aan de man! Die gelijkheid werd pas beëindigd door de christelijke traditie, die veel later kwam. Voor het Bataafse „stamhoofd”, Gaius Iulius Civilis, was het een uitstekende reden om de opstand te organiseren. Civilius bracht de andere stamhoofden bijeen en nam ze een eed van broederschap af. Voor veel Nederlanders is dat, vandaag nog steeds, de symbolische geboorte van de Nederlandse natie.

Batawowie Tempesta_Cerialis_1612

 Cerialis schenkt genade aan strijders die overliepen naar de vijand (69/70)
(„opstand der  Bataven”); Antonio Tempesta

Opmerkelijk is dat ze de opstand begonnen in de wetenschap dat ze hem niet konden winnen. Zo liep het ook af, doch niet zonder enige positieven effecten. De Romeinen behandelden, naderhand, hun tegenstanders heel vriendelijk. De Bataafse hoofdstad Opidum Batavorum werd zelfs opgewaardeerd tot de garnizoensstad Ulpa Noviomagus (thans Nijmegen) zodat de Bataven spraken van een „victorieuze nederlaag”. Later vermengden ze zich met de andere stammen en werden een deel van de Salische Franken, maar nooit werden ze vergeten. Met het verschijnen van de eerste gedrukte werken van Tacitus in de 16de eeuw de herleefde de Nederlandse belangstelling voor de Bataven opnieuw. Ze werden het symbool van een „eenvoudig”, dapper volk dat zich verzette tegen een wrede onderdrukker en haar vrijheid herwon. Dit symbool functio-neerde goed op historische momenten, met name in de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648) en zelfs tijdens de 2de Wereldoorlog. Veel Nederlandse kunstenaars schilderden afbeeldingen van de Bataven, het beroemste is „De eed der Bataven” van Rembrandt van Rhijn.

Batawowie Rembrandt

De eed van Claudius Civilis, Rembrandt van Rijn, 1662

(Hij heette eigenlijk geen Claudius maar Julius Civilis, de Bataafse leider wordt echter, in de kunst, meestal met de naam Claudius aangeduid).

3.3 Franken
Tijdens het late Romeinse Rijk, aan het einde van de 3de eeuw, verdwenen de namen van de stammen in de Nederlanden (met uitzondering van die van de noordelijke Friezen). De Franken waren het nieuwe volk. De Franken waren geen nieuwe stam, maar een mengsel van de oude stammen. Zij waren dus vrij van de plichten van hun oude stam. Frank betekent vrij, dus ze kozen zelf waar ze bij wilden horen en wie te dienen. Uitgezonderd de noordelijke Friezen (die verdwenen), werden alle stammen, de één wat vroeger de ander wat later, Franken. Deze Franken splitsten op in twee groepen: de Saliërs (uit het Latijn voor zout) in het westen (aan Chlodwigde zee) en de Ripardiërs (van hun woord voor rivier) in het oosten. De eerste van de twee, de Salische Franken, hadden hun zwaarte punt in de Rijndelta, nog een maal worden de Bataven genoemd, dan verdwijnen ze voorgoed uit de geschiedenis.  In 297, met toestemming van de Romeinse keizer Constantinus, breidden die Salische Franken zich uit naar het zuiden en worden daar de dominante machtsfactor. Een wat „heimelijke” vestiging van de Saliërs op Romeins grondgebied in het Zuid-Nederlandse Toxandrië leidde nog één keer tot een oorlog met Romeinen, onder het bevel van de toekomstig Romeinse keizer Julianus de Afvallige, zodat ze in 358, gedwongen werden zich over te geven. Dit verzwakte de Saliërs echter niet. Ze waren nog maar net begonnen aan hun grote carrière. Onder de leiding van een zekere Claudio hebben ze, van ongeveer het jaar 420, hun bezittingen uitgebreid tot aan de rivier de Somme. Afbeelding: Clovis, “Nuremberg Chronicle”.

Opmerking:
De taal van de Ripuardische Franken werd sterk beïnvloed door de Keltische stammen die in Beieren en Zwitserland woonden. Zo ontstonden twee talen: Nederduits in het laagland van het noordwesten en het Hoogduits in de bergen in het zuidoosten. Die oude scheidingslijn (de Bernrather Line) loopt ongeveer van Danzig aan de Baltische kust, ten zuiden langs Berlijn en langs de zuidelijke grens van de Nederlandse provincie Limburg. Dit is nog te horen in de huidige lokale dialecten. Doordat Martin Luther de Bijbel in het Hoogduits vertaalde werd dat het standaard Duits van vandaag.

Han

Foto’s Wikipedia.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *